Generatie 1: Arijs Willemsz en Aertgen Gisberts: Van Gouden Eeuw naar Rampjaar
Arijs Willemsz en Aertgen Gisberts werden waarschijnlijk ergens tussen 1635 en 1640 geboren. Arijs kwam uit Hoevelaken, terwijl Aertgen afkomstig was uit Sevenhuijsen, een plaatsnaam die tegenwoordig niet meer in gebruik is maar destijds deel uitmaakte van dezelfde landelijke streek rond Amersfoort. Hun levens speelden zich af in een periode waarin de Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden grote welvaart kende. De zeventiende eeuw staat bekend als de Gouden Eeuw, een tijd van handel, scheepvaart en culturele bloei.
Voor de mensen op het platteland zag het dagelijks leven er echter anders uit dan in de rijke handelssteden. Het bestaan werd er vooral bepaald door landbouw, het kerkelijk leven en de nauwe banden binnen de dorpsgemeenschap.
Op 28 november 1662 traden Arijs Willemsz en Aertgen Gisberts in het huwelijk voor de kerk. Enkele dagen later, op 5 december 1662, werd hun huwelijk ook voor het gerecht vastgelegd. In deze akte wordt Arijs genoemd als Aris Willemsz Romeijn, afkomstig uit Hoevelaken, terwijl Aertgen wordt vermeld als afkomstig uit Sevenhuijsen. De naam Romeijn lijkt een vroege familienaam of bijnaam te zijn geweest, maar deze achternaam verdwijnt hierna uit de archieven. In de zeventiende eeuw waren vaste achternamen nog niet overal gebruikelijk; namen konden veranderen of soms eenvoudigweg weer verdwijnen.
Het jonge echtpaar begon daarna hun leven samen, in Hoogland. Zoals bij veel gezinnen volgden al snel de eerste kinderen. Op 14 januari 1664 werd hun eerste zoon gedoopt met de naam Guilhelmus, de Latijnse vorm van Willem. Zijn leven was echter van korte duur. Hij overleed nog als kind, iets wat in die tijd helaas vaak gebeurde.
Op 28 juli 1665 werd opnieuw een zoon geboren. Ook hij kreeg de naam Guilhelmus. Het was in die tijd gebruikelijk om een volgende zoon dezelfde naam te geven als een eerder overleden kind, zodat de naam binnen de familie behouden bleef. Deze tweede Guilhelmus — later meestal Willem Arissze genoemd — zou wel volwassen worden en de familielijn voortzetten.
Op 24 januari 1668 werd hun dochter Maria geboren. Zij groeide eveneens op tot volwassenheid en trouwde later, in 1689, met Lubbert Hendricksz.
Het gezin van Arijs en Aertgen leefde in een relatief rustige streek, maar hun leven werd toch geraakt door een van de meest dramatische gebeurtenissen uit de Nederlandse geschiedenis: het Rampjaar 1672.
In dat jaar werd de Republiek van meerdere kanten aangevallen. Franse troepen onder koning Lodewijk XIV trokken de Republiek binnen en bezetten grote delen van het land. Ook de streek rond Hoogland kreeg te maken met de gevolgen van deze oorlog. De situatie in Hoogland maakte deel uit van een landelijke crisis waarbij de Republiek van vier kanten werd aangevallen door Frankrijk, Engeland, en de bisschoppen van Münster en Keulen
Na de inname van Amersfoort trokken Franse troepen naar Hoogland en de naburige buurschap Emiclaer, waar zij op grote schaal oogsten plunderden en vernielden. In juli 1672 kwamen lokale bestuurders bijeen om te inventariseren wat er nog aan voedsel over was. Franse troepen haalden dagelijks grote hoeveelheden tarwe, boekweit en hooi direct van het land om hun paarden te voeren. Boeren werden niet alleen bestolen van hun gewassen, maar moesten ook hun eigen wagens en paarden ter beschikking stellen om de geroofde goederen naar de Franse kampementen te vervoeren.
Gewassen die de Fransen niet zelf konden gebruiken, zoals rogge en haver, werden vaak ter plekke vernield om te voorkomen dat het Staatse leger van de Prins van Oranje ze zou kunnen benutten.
Voor plattelandsfamilies zoals die van Arijs Willemsz en zijn vrouw Aertgen betekende dit een periode van onzekerheid en spanning. In de dorpen werd veel gesproken over de oorlog, over de Franse troepen en over de verdediging van het land. De gebeurtenissen versterkten ook het religieuze gevoel in veel gemeenschappen. In tijden van dreiging en rampspoed zochten mensen steun in hun geloof en in het kerkelijk leven.
De oorlog had namelijk ook een religieuze dimensie. Voor 1672 waren openbare katholieke eredienst verboden. De katholieken in Hoogland maakten gebruik van zogenaamde schuilkerken op boerderijen. In de eerste helft van de 17e eeuw was Boerderij het Zandhuisje bijvoorbeeld een belangrijke schuilkerk in Hooglanderveen. Deze locatie bleef tot ver in de 18e eeuw in gebruik als “bedieningsplaats” voor het katholieke geloof. Veel diensten vonden plaats in eenvoudige schuren op het erf van katholieke boeren. Dit was veiliger dan in de stad, omdat de controle op het uitgestrekte platteland van de “kerspel” (parochie) Leusden, waar Hoogland toen onder viel, minder streng was. De gelovigen werden bezocht door reizende priesters, vaak Jezuïeten uit Amersfoort, die van boerderij naar boerderij trokken om de sacramenten toe te dienen.
Tijdens de Franse bezetting in 1672 veranderde de situatie tijdelijk. De Franse bezetters waren katholiek en stonden de lokale bevolking toe hun geloof weer openlijk te belijden. Voor het eerst in decennia hoefden de katholieken uit Hoogland niet meer naar een schuilkerk, maar konden zij naar de grote kerken in de stad, zoals de Sint-Joriskerk in Amersfoort. Zodra de Fransen in 1673 vertrokken, werden de protestantse wetten direct weer van kracht. De katholieken in Hoogland moesten weer terug naar hun schuurkerken. Dit leidde uiteindelijk tot de stichting van de eigen Sint-Martinusparochie aan het eind van de 17e eeuw.
Hoewel we niet precies weten hoe Arijs en Aertgen deze jaren persoonlijk hebben ervaren, is het vrijwel zeker dat de gebeurtenissen ook hun dorp en hun gezin hebben geraakt. Het leven op het platteland ging ondertussen wel door: er werd gewerkt, kinderen groeiden op en gezinnen probeerden hun bestaan voort te zetten ondanks de onrust.
Uiteindelijk bereikte de Republiek na enkele moeilijke jaren weer stabiliteit. Voor Arijs en Aertgen betekende dat dat hun kinderen konden opgroeien en hun eigen leven konden beginnen. Hun zoon Willem en dochter Maria bereikten de volwassen leeftijd en stichtten hun eigen gezinnen.
Met deze twee kinderen werd de familielijn voortgezet. Hun namen en die van hun ouders zijn bewaard gebleven in de kerkregisters van de streek — kleine maar waardevolle sporen van een familie die leefde in een tijd van zowel bloei als grote onzekerheid.
Generatie 2: Willem Arisze en Maria Rijers: generaties in Hoogland
Willem Arisze werd in 1665 geboren onder de naam Guilhelmus, als zoon van Arijs Willemsz en Aertgen Gisberts. Hij groeide op in Hoogland, samen met zijn drie jaar jongere zus Maria. Zijn naam droeg een bijzondere betekenis binnen het gezin. Een oudere broer, die eveneens Guilhelmus heette, was vóór zijn geboorte overleden. Het was in die tijd gebruikelijk om een volgende zoon dezelfde naam te geven, zodat de naam binnen de familie bleef voortleven.
Het gezin waarin Willem opgroeide leefde in een streek die bestond uit kleine, verspreide buurtschappen zoals Emiclaer, Langenoord en Hooglanderveen. Van één centraal dorp Hoogland was nog geen sprake. De bewoners leefden vooral van landbouw en veeteelt en waren sterk afhankelijk van elkaar. Binnen deze gemeenschap vormden familiebanden en het geloof belangrijke pijlers van het dagelijks leven.
Hoewel de Republiek officieel protestants was, bleef in Hoogland een sterke katholieke geloofsgemeenschap bestaan. Ook de familie van Willem maakte daar deel van uit. Het katholieke geloof kon in deze periode niet openlijk worden uitgeoefend, waardoor de gemeenschap gebruik maakte van zogenaamde schuilkerken. In Willems jeugd werden dopen en huwelijken bijgehouden in een schuilkerk die gevestigd was in een boerderij: ’t Zandhuisje in Hooglanderveen. Daar kwamen families uit de omgeving samen voor de mis, voor doopplechtigheden en voor huwelijken.
De kerkregisters uit deze schuilkerk vormen vandaag de dag een belangrijk spoor van de familiegeschiedenis. In die registers werden de namen van Willem, zijn ouders en later ook zijn eigen kinderen opgetekend. Rondreizende priesters — missionarissen — bedienden de statie Hoogland en verzorgden de sacramenten voor de katholieke bevolking.
In deze gemeenschap groeide Willem op en werd hij volwassen. Rond zijn twintigste levensjaar leerde hij Maria Rijers kennen. Waarschijnlijk kwamen zij elkaar tegen binnen dezelfde dorpsgemeenschap of via familiebanden. Hun huwelijk volgde volgens de gebruiken van de tijd. Op 28 maart 1685 gingen zij in ondertrouw. Enkele weken later, op 21 april 1685, de dag vóór Pasen, traden zij in het huwelijk voor de kerk. Op 8 mei 1685 werd hun huwelijk ook officieel voor het gerecht bevestigd.
Voor Willem en Maria begon daarmee hun eigen gezin. Zij vestigden zich in Hoogland, in dezelfde streek waar Willem was opgegroeid en waar ook zijn ouders hadden geleefd. Vier jaar later, in 1689, trouwde Willems zus Maria met Lubbert Hendricksz, waarmee ook zij haar eigen gezin begon. Zo groeide de familie langzaam verder.
In de jaren die volgden kregen Willem en Maria meerdere kinderen. Hun eerste zoon, Reijnerus, werd geboren in 1686. Een jaar later volgde Andreas, maar hij overleed jong. In 1688 werd hun zoon Adrianus, meestal Aris genoemd, geboren. Hij zou later een belangrijke schakel worden in de verdere voortzetting van de familie.
Daarna volgden nog meer kinderen: opnieuw een Andreas in 1690, die waarschijnlijk ook jong overleed, en een dochter Elizabeth in 1692, die eveneens slechts korte tijd leefde. Later werden nog twee dochters geboren: Aeltie in 1696 en Elisabeth in 1698. Bij hun dopen zien we hoe familie en bekenden betrokken waren. Teuntie Pieters trad op als doopgetuige bij Aeltie, terwijl Jannetje Reijers, waarschijnlijk een familielid van Maria, getuige was bij de doop van Elisabeth.
De jaren rond de geboorte van hun jongste kinderen vielen samen met een belangrijke verandering in de katholieke gemeenschap van Hoogland. Tot 1696 werden de doop- en trouwboeken nog bijgehouden in de schuilkerk van ’t Zandhuisje. Rond dat jaar kreeg de gemeenschap echter een meer permanente schuilkerk — een kerkschuur aan de Hamseweg, gewijd aan de heilige Martinus. Vanaf dat moment werden de kerkelijke registraties daar voortgezet. Voor families zoals die van Willem betekende dit dat hun kinderen voortaan in een meer vaste kerkelijke gemeenschap werden gedoopt en geregistreerd.
Het leven van Willem en Maria weerspiegelt daarmee het bestaan van veel families in Hoogland aan het einde van de zeventiende eeuw. Hun leven speelde zich af binnen een hechte gemeenschap van boerenfamilies, verbonden door familiebanden, landbouw en het gedeelde katholieke geloof.
Zoals in veel gezinnen uit die tijd kende ook hun familie zowel vreugde als verdriet. Meerdere kinderen overleden jong, maar met hun zoon Adrianus (Aris) Willemsz bleef de familielijn voortbestaan. Via hem zou de familie zich in de volgende generaties verder ontwikkelen, terwijl de namen van Willem en Maria bewaard bleven in de oude kerkboeken van Hoogland.
Generatie 3: Aris Willemsz en Gijsberta Meuse: groei en verspreiding
In het begin van de achttiende eeuw groeide Adrianus Willemsz, in het dagelijks leven Aris genoemd, op in het dorp Hoogland. Het was een tijd waarin het leven dicht bij elkaar lag: geboorte en dood, vreugde en verdriet. In het gezin waarin Aris opgroeide, waren kindersterfte en onzekerheid geen onbekenden. Meerdere broertjes en zusjes overleden op jonge leeftijd. Van zijn broer Reijnerus wordt vermoed dat hij in 1725 stierf, wat erop wijst dat uiteindelijk slechts enkele kinderen de volwassen leeftijd bereikten.
Zoals veel jonge mannen uit het dorp trok Aris op een bepaald moment de wijde omgeving in. Daar ontmoette hij Gijsberta Meuse — in de archieven ook geschreven als Meusen of Meesen. Waar zij elkaar precies leerden kennen, is niet met zekerheid te zeggen. Opvallend is dat hun trouwakte niet te vinden is in de archieven van Utrecht of het nabijgelegen Gelderland. Dat doet vermoeden dat het huwelijk elders plaatsvond, mogelijk in de streek waar Gijsberta vandaan kwam.
De eerste jaren van hun huwelijk lijken zij buiten Hoogland te hebben gewoond. Hun oudste drie kinderen — Willem, Evertje en Rijk — zijn namelijk niet in Hoogland geboren. Pas later keerde het jonge gezin terug naar het dorp waar Aris was opgegroeid. Daar, tussen de boerderijen en de akkers van het Utrechtse platteland, bouwden zij hun bestaan verder op.
In Hoogland werd het gezin in de jaren daarna verder uitgebreid. In totaal kregen Aris en Gijsberta acht kinderen, wier levens zich over verschillende plaatsen in de regio zouden verspreiden.
De oudste zoon, Willem Arisze, geboren rond 1712, trouwde met Wijmpje Jans. Hun gezin groeide uit tot een groot nageslacht. Aris werd geboren in 1739, gevolgd door Annetje (1741), Aeltje (1743) en Evertje (1747). Daarna werden drie zoons geboren die allemaal de naam Jan kregen — in 1749, 1752 en 1755. Het herhaald geven van dezelfde naam wijst er vrijwel zeker op dat eerdere kinderen met die naam jong waren overleden. In Amersfoort werd bovendien een dochtertje Gisberta gedoopt bij Willem en Wilhelma Jans, mogelijk dezelfde echtgenote onder een andere naamvorm.
Hun dochter Evertje Arisze, geboren rond 1714, kende eveneens een bewogen levensloop. In 1738 trouwde zij met Teunis Teunisse, met wie zij een dochter kreeg, Teuntje. Toen dit huwelijk kort daarna eindigde — vermoedelijk door het overlijden van haar man — hertrouwde zij al in 1739 met Reyer Elisze. In Hoogland bouwden zij samen een nieuw gezin op met kinderen als Neeltje, Elis, Aeltje, Met Elisze, Jan, Evertje en opnieuw een zoon Jan.
De derde zoon, Rijk Arisze, geboren rond 1716, trouwde met Wijmpje Splinters. Hun gezin kende eveneens het verdriet dat in deze tijd zo vaak voorkwam: na de geboorte van dochter Maria in 1745 volgde een zoon Aris in 1747, en later opnieuw een dochter Maria in 1749 — waarschijnlijk genoemd naar een eerder overleden zusje.
De familie strekte zich ook uit buiten Hoogland. Engelberta Aerts, gedoopt in 1718 met Bronella Willems als getuige, trouwde met Joannis Barentsen en verhuisde naar Baarn. Daar kreeg zij een groot gezin met kinderen als Anna, Arnoldus, Bernardus en Clementia. Opvallend is dat de naam Gijsberta drie keer voorkomt in hun gezin, wat vermoedelijk wijst op het verlies van eerdere dochters met dezelfde naam.
Een andere dochter, Joanna — ook Jantje genoemd — Arisse, gedoopt in 1720 met Cornelia Gerrits als doopgetuige, trouwde eerst met Dirck Janzen. Uit dit huwelijk werd dochter Aleijdis geboren. Later, in 1750, hertrouwde zij met Willem Jansze, met wie zij opnieuw kinderen kreeg: Annetje en Jantje.
Hun zoon Gisbertus Arisz, geboren in 1722 met Gertrudis Gisbers als doopgetuige, verschijnt in de archieven, al is over zijn verdere levensloop minder bekend.
Sophia Arisse, gedoopt in 1725 met Hendrica Jansz als getuige, trouwde met Walterus Derksen en vestigde zich eveneens in Baarn. Hun gezin groeide uit met kinderen als Andreas, Barbara, Gerardus en Hendricus.
De jongste dochter, Beatrice Arisse, werd in 1726 gedoopt. Opmerkelijk is dat bij haar doop geen getuige werd vermeld — een klein detail dat laat zien hoe onvolledig of haastig sommige kerkelijke registraties uit die tijd konden zijn.
Het leven van het gezin veranderde ingrijpend toen Aris Willemsz in 1728 overleed. Zijn dood liet Gijsberta achter als weduwe met een groot aantal jonge kinderen. Zoals zoveel vrouwen in die tijd moest zij een nieuwe weg vinden om haar gezin te onderhouden en te beschermen. Acht jaar later, in 1736, hertrouwde zij. Daarmee begon voor haar en haar kinderen een nieuwe fase.
Met deze generatie wordt de familie duidelijker zichtbaar in de archieven. Hun verhaal weerspiegelt het leven van veel families op het achttiende-eeuwse platteland: jonge gezinnen die zich verplaatsen tussen dorpen, kinderen die vroeg overlijden maar wier namen opnieuw worden doorgegeven, en nakomelingen die zich langzaam verspreiden over plaatsen als Hoogland, Amersfoort en Baarn.
Zo groeide uit het gezin van Aris Willemsz en Gijsberta Meuse een familie die zich in de loop van de eeuw steeds verder over de regio zou vertakken — een netwerk van kinderen, kleinkinderen en verwanten dat zijn wortels bleef houden in het kleine dorp waar Aris ooit zelf was opgegroeid.
Generatie 4: Willem Arisze en Wijmpje Jans: de familie zet zich voort
Willem Arisze groeide op in het achttiende-eeuwse Hoogland, een klein agrarisch dorp waar het leven sterk werd bepaald door het ritme van het land, de kerk en de familie. Hij was de oudste zoon van Aris Willemsz en Gijsbertje Meuse. Als oudste zoon zal Willem al vroeg hebben meegeholpen in het huishouden en op het land, zoals gebruikelijk was in gezinnen waar hard werken noodzakelijk was om het bestaan veilig te stellen.
Over het gezin waarin Willem opgroeide weten we slechts gedeeltelijk wat er van de kinderen is geworden. Dat sommige broers en zussen jong zijn overleden is goed mogelijk; kindersterfte kwam in die tijd vaak voor. Toch weten we dat verschillende van zijn broers en zussen volwassen werden en hun eigen gezinnen stichtten. Zijn broer Rijk en zijn zussen Evertje, Engelberta, Jantje en Sophia worden later in de bronnen genoemd. Twee van zijn zussen zouden uiteindelijk in Baarn gaan wonen, een plaats die ongeveer twee uur lopen van Hoogland ligt. Hoewel dat tegenwoordig dichtbij lijkt, was het in de achttiende eeuw toch een behoorlijke afstand — maar nog altijd dichtbij genoeg om familiebanden te onderhouden.
In Hoogland leerde Willem Wijmpje Jans kennen. Hoe zij elkaar precies hebben ontmoet weten we niet, maar waarschijnlijk gebeurde dat binnen de kleine gemeenschap van het dorp, waar families elkaar vaak al generaties lang kenden. Hun huwelijk werd gesloten op woensdag 19 november 1738 in de kerk van Hoogland. De tekst in het kerkboek leest:
“contraxerunt matrimonium Willem Ariszen en Wijmpje Jansz coram pastore et testibus Catharina Aerts et Aeltje Janz.”
Wat betekent: Huwelijk gesloten van Willem Ariszen en Wijmpje Jansz in aanwezigheid van de pastoor en getuigen Catharina Aerts et Aeltje Janz.
Daarmee begon voor Willem en Wijmpje een gezamenlijk leven in het dorp waar Willem was opgegroeid.
In de jaren die volgden werd hun gezin steeds groter. Hun eerste kind, Aris, werd in augustus 1739 gedoopt. Bij de doop trad Willems moeder, Gijsbertje Meuse, op als getuige — een mooi voorbeeld van hoe grootouders vaak betrokken waren bij belangrijke momenten in het leven van hun kleinkinderen. Dit eerste kind zou echter jong overlijden, een verdriet dat in die tijd helaas veel gezinnen trof.
Daarna volgden meer kinderen: Annetje in 1741, Aeltje in 1743 en opnieuw een zoon Aris in 1745. Deze tweede Aris bereikte wel de volwassen leeftijd. Hij trouwde later met Mechtildis, ook Metje genoemd, Reijers. Hun huwelijk bracht twee kinderen voort, Reijnerus en Wilhelmina, voordat Aris zelf al in 1774 in Hoogland overleed.
Het gezin van Willem en Wijmpje bleef groeien met de geboorte van Evertje in 1747. Zij trouwde later met Jacobus — vaak Cobus genoemd — Hendrickse Verheijen. Hun geluk was echter van korte duur; Evertje overleed al in 1775, een jaar na de geboorte van hun zoon Willem.
Ook werden er meerdere zoons met de naam Jan geboren, in 1749, 1752 en 1755. De eerste twee stierven jong. Het was in die tijd gebruikelijk om de naam van een overleden kind opnieuw te geven aan een volgende zoon of dochter, zodat de naam toch in de familie bleef voortleven.
Het jaar 1775 bracht opnieuw een ingrijpende verandering in Willems leven. Zijn vrouw Wijmpje overleed, na een huwelijk van bijna zevenendertig jaar. Willem bleef achter als weduwnaar, maar besloot later opnieuw te trouwen. Zijn tweede huwelijk was met Antje Gijsberts van Hamersveldt.
Uit dit huwelijk werden nog drie dochters geboren: Wilhelma in 1778, Grietje in 1780 en Evertje in 1783. Bij hun dopen zien we opnieuw hoe de familie nauw betrokken bleef. Aeltje, een dochter uit Willems eerste huwelijk, trad telkens op als doopgetuige voor haar jongere halfzussen. Zo werden de kinderen uit beide huwelijken met elkaar verbonden en bleef de familieband zichtbaar in de kerkelijke registers.
Het leven van Willem Arisze speelde zich vrijwel volledig af in en rond Hoogland. In de doopboeken en trouwregisters van het dorp laat hij een spoor achter van familie, verlies, nieuwe beginnen en generaties die elkaar opvolgen — een verhaal dat in veel opzichten typerend is voor het leven van gezinnen op het Nederlandse platteland in de achttiende eeuw.
Willem Arisze groeide op in het achttiende-eeuwse Hoogland, een klein agrarisch dorp waar het leven sterk werd bepaald door het ritme van het land, de kerk en de familie. Hij was de oudste zoon van Aris Willemsz en Gijsbertje Meuse. Als oudste zoon zal Willem al vroeg hebben meegeholpen in het huishouden en op het land, zoals gebruikelijk was in gezinnen waar hard werken noodzakelijk was om het bestaan veilig te stellen.
Over het gezin waarin Willem opgroeide weten we slechts gedeeltelijk wat er van de kinderen is geworden. Dat sommige broers en zussen jong zijn overleden is goed mogelijk; kindersterfte kwam in die tijd vaak voor. Toch weten we dat verschillende van zijn broers en zussen volwassen werden en hun eigen gezinnen stichtten. Zijn broer Rijk en zijn zussen Evertje, Engelberta, Jantje en Sophia worden later in de bronnen genoemd. Twee van zijn zussen zouden uiteindelijk in Baarn gaan wonen, een plaats die ongeveer twee uur lopen van Hoogland ligt. Hoewel dat tegenwoordig dichtbij lijkt, was het in de achttiende eeuw toch een behoorlijke afstand — maar nog altijd dichtbij genoeg om familiebanden te onderhouden.
In Hoogland leerde Willem Wijmpje Jans kennen. Hoe zij elkaar precies hebben ontmoet weten we niet, maar waarschijnlijk gebeurde dat binnen de kleine gemeenschap van het dorp, waar families elkaar vaak al generaties lang kenden. Hun huwelijk werd gesloten op woensdag 19 november 1738 in de kerk van Hoogland. Daarmee begon voor Willem en Wijmpje een gezamenlijk leven in het dorp waar Willem was opgegroeid.
In de jaren die volgden werd hun gezin steeds groter. Hun eerste kind, Aris, werd in augustus 1739 gedoopt. Bij de doop trad Willems moeder, Gijsbertje Meuse, op als getuige — een mooi voorbeeld van hoe grootouders vaak betrokken waren bij belangrijke momenten in het leven van hun kleinkinderen. Dit eerste kind zou echter jong overlijden, een verdriet dat in die tijd helaas veel gezinnen trof.
Daarna volgden meer kinderen: Annetje in 1741, Aeltje in 1743 en opnieuw een zoon Aris in 1745. Deze tweede Aris bereikte wel de volwassen leeftijd. Hij trouwde later met Mechtildis, ook Metje genoemd, Reijers. Hun huwelijk bracht twee kinderen voort, Reijnerus en Wilhelmina, voordat Aris zelf al in 1774 in Hoogland overleed.
Het gezin van Willem en Wijmpje bleef groeien met de geboorte van Evertje in 1747. Zij trouwde later met Jacobus — vaak Cobus genoemd — Hendrickse Verheijen. Hun geluk was echter van korte duur; Evertje overleed al in 1775, een jaar na de geboorte van hun zoon Willem.
Ook werden er meerdere zoons met de naam Jan geboren, in 1749, 1752 en 1755. De eerste twee stierven jong. Het was in die tijd gebruikelijk om de naam van een overleden kind opnieuw te geven aan een volgende zoon of dochter, zodat de naam toch in de familie bleef voortleven.
Het jaar 1775 bracht opnieuw een ingrijpende verandering in Willems leven. Zijn vrouw Wijmpje overleed, na een huwelijk van bijna zevenendertig jaar. Willem bleef achter als weduwnaar, maar besloot later opnieuw te trouwen. Zijn tweede huwelijk was met Antje Gijsberts van Hamersveldt.
Uit dit huwelijk werden nog drie dochters geboren: Wilhelma in 1778, Grietje in 1780 en Evertje in 1783. Bij hun dopen zien we opnieuw hoe de familie nauw betrokken bleef. Aeltje, een dochter uit Willems eerste huwelijk, trad telkens op als doopgetuige voor haar jongere halfzussen. Zo werden de kinderen uit beide huwelijken met elkaar verbonden en bleef de familieband zichtbaar in de kerkelijke registers.
Het leven van Willem Arisze speelde zich vrijwel volledig af in en rond Hoogland. In de doopboeken en trouwregisters van het dorp laat hij een spoor achter van familie, verlies, nieuwe beginnen en generaties die elkaar opvolgen — een verhaal dat in veel opzichten typerend is voor het leven van gezinnen op het Nederlandse platteland in de achttiende eeuw.
Generatie 5 – Jan Willemsz Duijster en Dirkje Klaasse Hogeboom: Van Hoogland naar Sloten met een nieuwe achternaam
Jan Willemsz, die later de naam Duijster zou gaan gebruiken, werd in 1755 in Hoogland geboren. Hij was de jongste in een gezin waarin geboorte en verlies dicht bij elkaar lagen. Voor hem waren er al twee broertjes geweest die de naam Jan droegen maar vroeg overleden. Toen hij werd geboren, kreeg hij opnieuw die naam. Later in zijn leven gaf hij echter soms aan dat hij al in 1749 geboren was. Of hij zelf niet precies wist wanneer hij ter wereld was gekomen, of dat hij zich ouder wilde voordoen dan hij was, blijft een raadsel dat waarschijnlijk nooit meer volledig kan worden opgelost.
Zijn jeugd speelde zich af in het landelijke Hoogland, maar als jonge man trok hij de wereld in. Op enig moment verliet hij zijn geboortestreek en vestigde zich eerst in Koudekerk, om daarna verder te trekken naar Osdorp, een dorp in de polders ten westen van Amsterdam. Daar, tussen de waterwegen, boerderijen en dijken die de stad met het omliggende land verbonden, begon een nieuw hoofdstuk in zijn leven.
In de omgeving van Abcoude ontmoette hij Dirkje Klaasse Hogeboom, dochter van Klaas Hoogeboom en Hendrina van Recop. Op 10 juni 1787 traden zij in Abcoude-Proostdij in het huwelijk voor het gerecht. Op dezelfde dag werd hun huwelijk ook in de kerkboeken ingeschreven. In de documenten wordt Jan soms Johannes genoemd. Hij was toen tweeëndertig jaar oud en woonde in Osdorp, al werd zijn geboorteplaats nog steeds als Hoogland vermeld. Dirkje was ongeveer drieëntwintig jaar.
Niet lang na hun huwelijk vestigde het jonge gezin zich in Sloten, een klein dorp vlak buiten Amsterdam. Het lag in de polders langs de trekvaart en vormde een rustige gemeenschap, maar de nabijheid van de grote stad bepaalde veel van het dagelijks leven. Boeren uit de omgeving leverden hun producten aan de markten van Amsterdam, en families waren gewend om regelmatig naar de stad te reizen.
Voor Jan en Dirkje speelde nog een andere reden een rol om die tocht te maken. Het gezin was rooms-katholiek in een tijd waarin katholieken in de Republiek hun geloof niet openlijk mochten uitoefenen in grote openbare kerken. Daarom gingen zij naar een zogenaamde schuilkerk in Amsterdam: De Posthoorn, gelegen aan de Prinsengracht.
Van buiten leek het gebouw op een gewoon grachtenhuis. Er was niets dat direct verried dat zich binnen een kerk bevond. Maar achter de gevel bevond zich een verborgen kapel waar katholieke gelovigen samenkwamen voor de mis en voor belangrijke momenten in hun leven. Vanuit Sloten maakte de familie waarschijnlijk wekelijks de reis naar de stad — langs de polderwegen en over de trekvaart — om daar hun geloof te beleven.
In deze schuilkerk werden meerdere van hun kinderen gedoopt.
Hun oudste dochter Wilhelmina Duister werd in 1790 geboren. Zij groeide op in de jaren waarin Europa langzaam in de greep raakte van de Franse revoluties en de opkomst van Napoleon. In 1817, toen zij zevenentwintig jaar oud was, trouwde zij met Johannes Kramer, een timmerman uit Amsterdam. Hun kinderen waren onder anderen Joannes Kramer, die schoenmaker werd, en Willem Arnoldus Kramer, die later als sjouwerman werkte in de stad.
Op 3 februari 1799 werd Anna Maria Duister gedoopt in de schuilkerk De Posthoorn, met Jacob Ton en Antje Heijten als doopgetuigen.
Enkele jaren later, op 14 mei 1801, werd hun zoon Nicolaus Duijster in dezelfde kerk gedoopt. Zijn doopgetuigen waren Jan Hendrik Reinhart en Engelina Koster. Hij zou later, in 1824, trouwen met Maria Schreuder.
Daarna volgde Henrica Anna Antonia Duister, gedoopt op 6 april 1803. Haar doopgetuigen waren Willem Meester en Anna Buining. In 1827 trouwde zij met Hendricus van Pesselen, een schuitenvoerder die over de waterwegen rond Amsterdam voer. Na zijn overlijden hertrouwde zij in 1833 met Joannes Vonk, een poeliersknecht. Haar leven weerspiegelt het drukke en soms onzekere bestaan van gezinnen rond de Amsterdamse grachten en havens. Rond 1803 woonde Henrica — toen nog een jong kind — met haar familie in de Dommerstraat, een zijstraat van de Prinsengracht in de Jordaan. Daarmee was het gezin inmiddels dichter bij de stad komen te wonen.
Op 22 april 1805 werd een dochter Maria gedoopt in De Posthoorn. Zij overleed echter op jonge leeftijd, zoals in die tijd helaas vaak gebeurde. Twee jaar later, op 26 juni 1807, werd opnieuw een dochter met de naam Maria gedoopt. Onder de doopgetuigen bevond zich Wilhelmina Willems Duijster — mogelijk een halfzus van Jan. Het is een van de weinige aanwijzingen dat ook andere familieleden de naam Duijsterzijn gaan gebruiken.
De jaren waarin het gezin hun kinderen kreeg, vielen samen met een periode van grote politieke veranderingen. Na eeuwen als Republiek werd het land in 1795 een bondgenoot van revolutionair Frankrijk en veranderde het in de Bataafse Republiek. Het oude bestuur verdween en de overheid werd centraler georganiseerd. Voor veel gewone mensen bleef het dagelijks leven grotendeels hetzelfde, maar men merkte wel dat de overheid steeds meer invloed kreeg op belastingen, bestuur en administratie.
In 1806 maakte Napoleon een koninkrijk van Nederland en zette hij zijn broer Lodewijk Napoleon op de troon als koning van het Koninkrijk Holland. Lodewijk probeerde zich aan te passen aan zijn nieuwe land en koos zelfs Amsterdam als hoofdstad. Zijn regering bracht nieuwe regels, maar ook aandacht voor bestuur, waterbeheer en rampenbestrijding.
Lang duurde zijn koningschap echter niet. In 1810 besloot Napoleon dat Nederland rechtstreeks onderdeel moest worden van het Franse Keizerrijk. Het land werd ingelijfd bij Frankrijk en kreeg Franse wetten en bestuur. In deze tijd werd ook de burgerlijke stand ingevoerd (1811), waardoor geboorten, huwelijken en overlijdens voortaan door de overheid werden geregistreerd. Voor historisch en genealogisch onderzoek zou dit later van grote waarde blijken.
Voor veel families waren deze jaren ook onrustig. Jongemannen konden worden opgeroepen voor dienst in het leger van Napoleon, dat overal in Europa oorlog voerde. Tegelijkertijd veranderden handel en economie door de voortdurende oorlogen. Voor families rond Amsterdam betekende dit nieuwe belastingen, strengere administratie en soms ook de dreiging dat jonge mannen in Napoleons leger moesten dienen.
In 1813 stortte Napoleons macht in en kwam er een einde aan de Franse overheersing. Twee jaar later werd het Koninkrijk der Nederlanden opgericht onder koning Willem I. Daarmee begon een nieuwe periode van rust en staatsopbouw, terwijl veel van de administratieve veranderingen uit de Franse tijd — zoals de burgerlijke stand en moderne wetgeving — bleven bestaan.
Toen Jan Willemsz Duijster in 1820 overleed, had hij de overgang meegemaakt van de oude Republiek naar de Napoleontische tijd en uiteindelijk naar het nieuwe Koninkrijk der Nederlanden. Zijn weduwe Dirkje Hogeboom zou hem nog meer dan twintig jaar overleven en stierf in 1843.
De kinderen en kleinkinderen van Jan en Dirkje bleven ondertussen hun weg vinden in en rond Amsterdam — tussen grachten, polders en kerken — en droegen zo de familienaam Duijster verder de negentiende eeuw in.
Generatie 6 – Nicolaas Duijster en Maria Schreuder: Een leven in Sloten, tussen familiebanden en verlies
Op 14 mei 1801 werd in de katholieke schuilkerk De Posthoorn aan de Prinsengracht in Amsterdam een jongen gedoopt die de naam Nicolaus Duijster kreeg. Zijn ouders, Jan Willemsz Duijster en Dirkje Klaasse Hogeboom, hadden al meerdere kinderen in dezelfde kerk laten dopen. De Posthoorn, verborgen achter een gewone grachtengevel, was voor veel katholieke families uit de dorpen rond Amsterdam een vertrouwde plek waar geloof en familie samenkwamen.
Bij zijn doop stonden Jan Hendrik Reinhart en Engelina Koster als getuigen naast het doopvont. Nicolaas groeide op in een wereld die aan behoorlijke veranderdingen was onderhevig.
Toen Nicolaas drieëntwintig jaar oud was, trad hij in het huwelijk met Maria Schreuder. Het huwelijk vond plaats op 13 mei 1824. Maria was acht jaar ouder dan haar bruidegom en ongeveer tweeëndertig jaar oud. De huwelijksakte laat zien hoe nauw familie en gemeenschap met elkaar verbonden waren.
Onder de getuigen bevond zich Jan Kramer, een vierentwintigjarige timmerman en zwager van Nicolaas. Daarnaast waren er twee broers van de bruid aanwezig: Willem Schreuder en Marten Schreuder, beiden tuinlieden. De vierde getuige was Hendrik Dijkman, een vijfentwintigjarige wagenmaker van de Sloterdijk.
Opvallend is dat Nicolaas de akte ondertekende met de naam Klaas Janse Duijster. Daarmee verwees hij nog naar het oude patroniem — een herinnering aan de tijd waarin men werd aangeduid als “zoon van Jan”. De familienaam Duijster was inmiddels echter vast onderdeel geworden van de officiële registratie, zoals die sinds het begin van de negentiende eeuw door de overheid werd bijgehouden.
Bij de huwelijksvoltrekking waren beide moeders aanwezig, terwijl de vaders van zowel bruid als bruidegom al waren overleden. Het moment van het huwelijk bracht zo twee families samen, maar droeg ook al het besef van eerdere verliezen met zich mee.
Nicolaas en Maria vestigden zich in Sloten, waar hun leven zich grotendeels zou afspelen. In 1827 werd daar hun zoon geboren: Johannes Theodorus Duijster. Hij groeide op in hetzelfde dorp waar zijn ouders hun gezin hadden opgebouwd. Op 10 februari 1854, op zevenentwintigjarige leeftijd, trouwde hij met Geertrui Johanna Ligte.
Maar het geluk van de familie werd opnieuw getekend door verlies. Johannes Theodorus overleed op 29 april 1860, slechts 33 jaar oud.
Ook voor Nicolaas en Maria zelf bracht het leven zijn beproevingen. Maria Schreuder overleed op 6 juni 1857 op vijfenzestigjarige leeftijd. Haar dood werd aangegeven door haar man en zoon bij de gemeente. Volgens de overlijdensakte overleed Maria vroeg in de ochtend en woonde het echtpaar in Sloten op nummer 56. Nicolaas bleef achter als weduwnaar. Slechts drie jaar later moest hij ook zijn (enige) zoon Johannes Theodorus begraven. Johannes Theodorus woonde in Sloten op huisnummer 109b. Zijn vrouw bleef achter met 3 kleine kinderen.
De laatste jaren van Nicolaas’ leven waren moeilijker. Op 16 december 1865 overleed hij in Sloten, vierenzestig jaar oud. Zijn overlijden werd aangegeven bij de gemeente door Hendrik Wilhelmus Johannes ter Haar, een suppoost van het Wees- en Armenhuis in Sloten.
Uit de akte blijkt dat Nicolaas die avond om tien uur was overleden in het Wees- en Armenhuis, gelegen in wijk A, nummer 64. Het is mogelijk dat hij daar zijn laatste dagen doorbracht omdat hij geen eigen huishouden meer had of ondersteuning nodig had.
Zo eindigde het leven van een man die werd geboren in een verborgen kerk aan de Amsterdamse grachten en zijn dagen besloot in het kleine dorp Sloten. Zijn levensverhaal weerspiegelt het bestaan van veel mensen uit die tijd: geworteld in familie en geloof, verbonden met de gemeenschap, maar ook getekend door het onvermijdelijke verlies dat het leven in de negentiende eeuw zo vaak met zich meebracht.
Generatie 7: Nicolaas Duijster en Maria Schreuder: Jong overleden en nog net de familienaam voortgezet.
Nicolaus Duijster, gedoopt op 14 mei 1801 in kerk de Posthoorn in Amsterdam met getuigen Jan Hend’k Reinhart en Engelina Koster. Trouwt op 23-jarige leeftijd op 13 mei 1824 met de 32-jarige Maria Schreuder. Getuigen waren Jan Kramer, 24-jarige timmerman, zwager van de bruidegom, Willem Schreuder, 33 jaar, Marten Schreuder, 33 jaar, tuinlieden en broers van de bruid. En Hendrik Dijkman, 25-jarige wagenmaker van de Sloterdijk.
Nicolaas ondertekent de huwelijks akte als Klaas Janse Duijster. Beide moeders zijn aanwezig bij de huwelijks voltrekking. Beide vaders zijn al overleden.
Kinderen:
- Johannes Theodorus Duijster 1827 Sloten. Overleden op 33 jarige leeftijs op 29 april 1860. Trouwt op 27-jarige leeftijd met Geertrui Johanna Ligte op 10 februari 1854 in Sloten.
Maria Schreuder overleed op 6 Juni 1857 op 65-jarige leeftijd. Nicolaas verloor daarna in 1860 zijn zoon Johannes Theodorus toen hij pas 33 jaar oud was.
Nicolaas Duijster overleed op 64 jarige leeftijd op 16 december 1865 in Sloten. Zijn dood wordt aangegeven bij de gemeente door Hendrik Wilhelmus Johannes ter Haar, een suppoost van het Wees en Armenhuis in Sloten. Nicolaas was of 16 December om 10 uur in de avond overleden in het Wees- en Armenhuis te Sloten, Wijk een, nummer 64.
Generatie 8: Johannes Theodorus Duijster (1826-1860) en Geertrui Johanna Ligte (1828-1914): Een Gezin in de Polders van Sloten
Johannes Theodorus Duijster groeide op als de enige zoon van Nicolaas Duijster en Maria Schreuder. Zijn jeugd speelde zich af in het dorp Sloten, in de polders ten westen van Amsterdam, waar het leven werd bepaald door landbouw, arbeid en de nabijheid van de stad.
In 1854, toen Johannes Theodorus in het huwelijk trad, werkte hij als dienstbaar. Het was een bescheiden beroep dat in die tijd door veel jonge mannen werd uitgeoefend. Zij verdienden hun brood in dienst van anderen, bijvoorbeeld op een boerderij, bij een ambachtsman of in een huishouden.
Volgens de huwelijksakte woonden zowel Johannes Theodorus als zijn aanstaande vrouw Geertrui Johanna Ligte aan de Haarlemmerweg in Sloten. Deze weg vormde een belangrijke verbinding tussen Amsterdam en Haarlem en liep door een landschap van polders, boerderijen en kleine nederzettingen. In deze omgeving begonnen zij hun gezamenlijke leven.
De familieachtergrond van het bruidspaar was eenvoudig. Nicolaas Duijster, de vader van de bruidegom, verdiende volgens de huwelijksakte zijn brood als arbeider. Geertrui Johanna had een andere afkomst. Zij was geboren in Gouda als buitenechtelijke dochter van Geertrui Ligte en Jacobus van Roon. Haar moeder woonde ten tijde van het huwelijk nog steeds in Gouda.
Bij de huwelijksvoltrekking waren Nicolaas Duijster en Geertrui Ligte aanwezig en gaven zij hun toestemming voor het huwelijk. Maria Schreuder, de moeder van Johannes Theodorus, had eveneens haar toestemming gegeven, maar kon wegens ziekte niet bij de plechtigheid aanwezig zijn.
De getuigen bij het huwelijk lijken geen directe familieleden te zijn geweest. Het waren mannen uit de omgeving van Sloterdijk, waarschijnlijk kennissen of bekenden uit de werkkring van het bruidspaar: Johan van de Glas, een zevenenveertigjarige kleermaker; Jan Eigenhuis, een eenenvijftigjarige arbeider; Gerrit de Beurs, een vierendertigjarige veldwachter; en Nicolaas Leurs, een vierenvijftigjarige arbeider.
Zo begon het huwelijk van Johannes Theodorus Duijster en Geertrui Johanna Ligte langs de Haarlemmerweg, in een gemeenschap waar buren, werk en familie nauw met elkaar verweven waren.
Het geluk van het gezin werd echter overschaduwd door verdriet. Johannes Theodorus Duijster overleed al op jonge leeftijd, waardoor Geertrui Johanna als weduwe achterbleef met haar kinderen. Uit latere documenten, waaronder de huwelijksakte van hun zoon Nicolaas Johannes, blijkt dat zij haar brood verdiende als werkster.
Uit het huwelijk van Johannes Theodorus Duijster en Geertrui Johanna Ligte werden meerdere kinderen geboren.
De oudste was Nicolaas Johannes Duijster (1854–1948). Hij trouwde op 17 oktober 1879 in Sloten met de achttienjarige Cornelia Tas (1861–1919), dochter van Leendert Tas en Hendrikje Scherpenzeel. Het leven van Nicolaas Johannes laat zien hoe beroepen in die tijd konden wisselen afhankelijk van werk en omstandigheden. In verschillende documenten wordt hij aangeduid als veehouder, arbeider, melkslijter of melkboer, veldarbeider en later ook als schillenophaler. Vanaf 1938 woonde hij aan de Amaliastraat 7 in Sloten.
Uit hun huwelijk werden meerdere kinderen geboren:
Johannes Theodorus Duijster (1881), Nicolaas Johannes Duijster (1883), Leendert Duijster (1884), Geertrui Johanna Duijster (1886), Cornelis Duijster (1888–1890), Cornelia Duister (1889, overleden na drie maanden), Cornelia Duijster (1890), Krijn Duijster (1892), Hendrina Duijster (1897) en Cornelis Duijster (1905).
Een dochter van Johannes Theodorus en Geertrui Johanna was Geertruida Duijster (1857–1941). Zij trouwde in 1882 met Krijn van Keulen (1855–1939), zoon van Jan van Keulen en Pietertje Olij. Krijn werkte als veehoudersknecht. Het gezin woonde aanvankelijk in Haarlemmerliede en Spaarnwoude, maar vestigde zich later in de Haarlemmermeer, waar Krijn als veehouder werkte. Hun eerste kinderen, een tweeling Johannes Theodorus en Jan, werden in 1882 geboren maar overleden al na enkele dagen. Later werd nog een zoon geboren, Jan van Keulen (1884–1911).
Op 28 september 1859 werd er in het gezin van Johannes Theodorus en Geertrui Johanna ook een levenloos geboren kind geregistreerd.
Hun jongste zoon was Johannes Theodorus Duijster (1861–1942). Hij trouwde in 1885 met Grietje Koning, dochter van Gerrit Koning en Truijtje de Boer. Over dit echtpaar en hun nakomelingen wordt in de volgende generatie verder verteld.
Zo zette de familie Duijster haar geschiedenis voort in en rond Sloten, waar generaties elkaar opvolgden langs de wegen, polders en dorpen aan de rand van Amsterdam.
Generatie 8: Johannes Theodorus Duijster (1861-1942) en Grietje Koning
Johannes Theodorus Duijster groeide op in Sloten met een oudere broer en zus. Zijn jeugd werd vroeg getekend door verlies. Toen hij nog maar vier jaar oud was, overleed zijn vader. Zijn moeder bleef achter met het gezin en moest haar kinderen alleen grootbrengen.
Zijn oudere broer Nicolaas Johannes trouwde in 1879 en begon hij zijn eigen gezin. Enkele jaren later volgde ook Johannes’ zus Geertruida. Zij trouwde toen Johannes Theodorus eenentwintig jaar oud was. Bij dat huwelijk was hun broer Nicolaas Johannes getuige en hun moeder was aanwezig om haar toestemming te geven. Het ligt voor de hand dat Johannes Theodorus zelf ook bij deze gebeurtenis aanwezig was.
Een paar jaar later brak voor hemzelf een nieuwe levensfase aan. In 1885 trad Johannes Theodorus Duijster in het huwelijk met Grietje Koning. Zijn moeder was bij de plechtigheid aanwezig en gaf haar toestemming voor het huwelijk, evenals Gerrit Koning, de vader van de bruid.
De getuigen bij het huwelijk kwamen deels uit de familiekring van de bruid en deels uit de gemeenschap van Sloten. Aanwezig waren Jurrien Seip, een vijfentwintigjarige arbeider uit Nieuwer-Amstel en zwager van Grietje, Bernardus Henneman, een zevenendertigjarige postbode in Sloten, en de ambtenaren Hendrik Wilhelm Bodewitz (27 jaar) en Johan Eliase Immink (24 jaar), beiden werkzaam in Sloten.
De moeder van de bruidegom kon de huwelijksakte niet ondertekenen, omdat zij niet kon schrijven — een klein detail dat veel zegt over het leven en de mogelijkheden van gewone mensen in die tijd.
Johannes Theodorus en Grietje vestigden zich in Sloten, waar hun gezin in de jaren daarna gestaag groeide. Uit hun huwelijk werden meerdere kinderen geboren.
Hun oudste dochter was Geertrui Johanna Duijster (10 juni 1885 – 16 augustus 1980). Zij trouwde in 1909 met Johannes Schönhage, zoon van Gerrit Schönhage en Maria Cornelia Moorman. Hun gezin werd groot en omvatte onder meer Gerrit, Grietje, Maria Cornelia, Aafje Truijtje, Johannes Gerrit, Johannes Theodorus, Joseph, Klaas en Leonardus Schönhage.
Hun zoon Gerrit Duijster (16 mei 1887) bleef ongehuwd. Hij overleed op 6 april 1957.
Een andere zoon, Johannes Theodorus Duijster (21 mei 1889), trouwde op 21 augustus 1918 in Zevenhuizen met Trijntje Hagendijk, dochter van Pieter Hagendijk en Marrigje Klein. Hun kinderen waren Johannes Theodorus (1918), Pieter (1920) en Grietje (1922–1959). Na het overlijden van Trijntje trad Johannes Theodorus op 27 september 1939 opnieuw in het huwelijk, ditmaal met haar jongere zus Jacoba Hagendijk, een ziekenverpleegster van achtendertig jaar. In die periode werkte hij als trambestuurder in Sloten, Amsterdam.
Dochter Aafje Truijtje Duijster (22 juni 1891) trouwde in 1914 met Willem Slinger, zoon van Arend Slinger en Hendje Buijs. Een zoon genaamd Johannes Theodorus Slinger werd in 1921 geboren. De familie is naar de Rijp verhuist volgens informatie op een bevolkingsregister uit Sloten. Meer informatie is moeilijk te vinden over deze familie.
Johanna Theodora Duijster (11 juli 1892) trad in 1919 in het huwelijk met Klaas Ruiter, een huidenzouter, zoon van Gerrit Ruiter, huidenzouter en Anna Petronella Koster. Zij woonden sinds 1926 aan de Cruquiusweg en sinds 1958 aan de Graftdijk in Graft. Volgens de archiefkaart van Klaas Ruiter hadden ze een zoon Gerrit Ruiter en een dochter Grietje Ruiter.
Hun zoon Klaas Duijster (28 oktober 1894) trouwde in 1920 met Anthonia Kars, dochter van Jan Kars en Aaltje Korn. Klaas en Anthonia vormen de volgende generatie.
Een zoon Nicolaas Johannes, geboren op 21 september 1896, overleed al op jonge leeftijd op 27 maart 1901, slechts vier jaar oud.
Grietje Duijster (5 december 1899) trouwde in 1921 met Cornelis van der Puij, een barbier, zoon van Gerrit van der Puij, caféhouder, en Maria Catharina Scheltes. Een dochter Margaretha Catharina van der Puij (1922) trouwde in 1943 in Zeist. Een dochter Grietje van der Puij (1924) trouwde in 1945 in Zeist. Cornelis van der Puij is in 1946 in Zeist overleden.
De dochter Geertruida Johanna Duijster (28 mei 1902) trad pas veel later, in 1942, in het huwelijk met Jan van der Kreeft, een kantoorbediende 37 jaar oud, zoon van Steven van der Kreeft en Antje van Ginkel. Haar broer Gerrit Duijster is een van de getuigen bij het huwelijk.
De jongste zoon Nicolaas Johannes Duijster (7 november 1903) trouwde in 1929 met Hendrika Gerhardina Johanna Siebeling, dochter van Hendrik Siebeling en Gerhardina Hekkert. Zij hadden een dochter Gerhardina Duijster en een zoon Johannes Theodorus Duijster.
Het leven van Johannes Theodorus en Grietje strekte zich uit over een periode waarin Sloten langzaam veranderde van een landelijk dorp aan de rand van Amsterdam naar een gebied dat steeds sterker met de stad verbonden raakte.
Volgens de archiefkaart van Amsterdam overleed Grietje Koning op 3 juni 1942. Slechts enkele weken later, op 25 juli 1942, stierf ook Johannes Theodorus Duijster. Sinds 1921 hadden zij gewoond aan de Sloterweg 1265, waar zij hun laatste jaren samen doorbrachten.
Met hun overlijden kwam een lang leven ten einde, maar hun grote gezin zorgde ervoor dat de naam Duijster verder bleef voortleven in Sloten en de omliggende streek.
Generatie 9: Klaas Duijster (28 october 1894) en Anthonia Kars (1898 – 1997)
Klaas groeit op in een vrij groot gezin. Hij heeft 4 broers en 4 zussen.
Antonia groeit op in Sloten. Zij is de jongste dochter van Jan Kars en Aaltje Koorn, Weduwe Breur. Anthonia had 3 zussen: Neeltje, Trijntje en Willemina, en 2 broers: Willem en Jacob Johannes Kars. Anthoniahad ook 2 half-zussen: Matje en Maartje Breur en een halfbroer Johannis Jacob Breur.
In 1917 gaat Anthonia als dienstbode werken voor de melkhandelaar Petrus Smit en zijn vrouw Johanna Hoogsteder. Een jaar later in de zomer van 1918 leert zij een man kennen en in ongeveer juli van dat jaar wordt ze zwanger. In december van 1918 gaat ze weer bij haar ouders wonen en in April 1919 krijgt ze een zoon Jan Kars.
In die tijd kende Antonia ook Klaas Duijster, en in 1920 trouwen Anthonia en Klaas in Sloten. Klaas was 25 jaar oud en Antonia 23 jaar oud ten tijde van hun huwelijk.
Jan Karn wordt niet gewettigd in 1920, maar in de militie registers van 1938 staat dat Klaas Jan wel erkende als zijn zoon. Dat betekende waarschijnlijk dat Jan niet zijn zoon was, maar wel als zijn zoon behandeld werd.
De getuigen bij het huwelijk waren de broer van Klaas, Johannes Theodorus Duijster, 31 jaar oud en een koetsier van beroep, en Cornelis van der Puij, 24 jaar oud en barbier bediende van beroep. Deze Cornelis van der Puij zou het jaar daarop, in 1921, trouwen met Grietje, de zus van Klaas.
Klaas en Anthonia wonen tot zeker eind 1920 bij de familie Jan Kars in huis. De oudste dochter, Grietje, wordt daar geboren. Klaas had verschillende beroepen. Hij was bouwvakker en was ook actief in forage handel. Hij werkte bij van Willigen aan de Sloterweg, maar had ook op de paardentram gereden op Sloten. Hij reed daarmee naar Amsterdam en moest dan helpen de paarden vervangen als ze moe werden. Klaas reed later ook gras naar de maneges op de Overtoom.
- Jan Kars (20 april 1919 – 20 october 1944) Marechaussee. Overleden gedurende de tweede Wereld Oorlog. Jan werd op 20 april 1919 geboren als zoon van Tonia Kars. Haar latere man, Klaas Duijster, erkende Jant en deze groeide met acht broers en zussen op, maar zijn naam bleef Kars. Een document in het archief van Amsterdam geeft aan dat hij later bij zijn grootvader Jan Kars woonde aan de Osdorperweg 496.
Jan was lang en had opvallend rood haar. Hij zong graag, en was lid van de jongelingsvereniging en het jongerenkoor van de hervormde kerk in Sloten, waar hij ook belijdenis deed. Jan werkte eerst in Osdorp bij tuinderij van Berkel. Na zijn militaire dienst bij het paardenvolk; kwam hij in bij de Koninklijke Marechaussee terecht. Deze stationeerde hem in Oostburg, Zeeuws Vlaanderen. Zijn zuster Greet zei dat Jan joodse gevangenen op weg naar Vught had helpen ontsnappen. In 1943 was hij in Sloten, en op 30 Juli meldt Jan dat op de 29e juli zijn fiets was gestolen bij het zwembad ins Sloten.
Jan werkt op 4 augustus 1944 mee aan de overval op het distributiekantoor van Oostburg. Hij zorgt voor de sleutel van de kluis en zet de achterdeur van het kantoor open. Daarna duikt hij in Oostburg onder. Zijn besluit om in oktober 1944, samen met boer de Bruyne en verzetsvrouw Francien de Zeeuw, door de vuurlinie bij Waterlandkerkje te gaan betekent het einde van zijn leven. De drie wilden de geallieerden waarschuwen hun boerderij met zo’n 80 gevluchte burgers niet te bombarderen. Onderweg werd een granaat naar hen gegooid. Alleen Jan werd geraakt en kwam om het leven.
- Grietje (“Greet”) Duijster 24 november 1920 Getrouwd met Maarten Majon 12 december 1946. Kinderen: Mens-Jan, Tonny, Johanna en Klaas. Vanaf 1946 woonde de familie aan de Osdorperweg nr 496. Dit is hetzelfde adres wat eerder aangegeven werd als de woonplaats van haar grootvader Jan Kars. Maarten staat op de archief kaart in Amsterdam ingeschreven als eerst een tuinbouwarbeider en later een tuinman.
- Jan Duijster (1922-1970) Jan werkte al voor de tweede wereldoorlog voor Dirk Bart. Hij hoefde gelukkig niet in dienst in de jaren ’40. Hij stond bekend om zijn gevoel van humor, en een bereidheid om geintjes uit te halen. End jaren ’50 is hij voor de KLM gaan werken. Hij overleed helaas heel jong, ongeveer 48 jaar oud.
- Johannes Jacobus (Jaap) Duijster (1925-1992)
- Klaas Duijster (1927-1995) Klaas Duijster Jr. Had een marktkaart voor de periode 1964-1970 waarmee hij bloemen en planten mocht verkopen in heel Amsterdam, behalve het Centrum. Hij woonde aan de Jan van Gent Straat 33. Hij overleed 14 maart 1994, en werd begraven op de Wilgen hof in Hoofddorp.
- Aaltje Duijster (1928 – 1996) Trouwt met Henk Jim Achilles Mulder op 5 october 1965 in Amsterdam.
- Gerrit Duijster, 3 Juli 1931, overleden 1 dag oud.
- Cornelis Duijster (13 maart 1937 – 14 december 2025) Trouwt met Maria Magdalena (Riet) Bart. Riet en Cor vormen de volgende generatie
Generatie 10: Cornelis (Cor) Duijster en Maria Magdalena (Riet) Bart.
Cor Duijster was de jongste in een gezin van 7 kinderen. Hij groeide op met 2 zussen, Greet en Aaltje, en 4 broers, Jan Kars, Jan, Jaap en Klaas. Zijn half-broer Jan Kars speelde vaak met zijn veel jongere broertje. Helaas overleed Jan Kars heel jong. Cor was pas 7 jaar oud toen zijn broer overleed. Het leven ging door voor de rest van de 6 kinderen. Greet trouwde met Maarten Majon toen Cor net 9 jaar oud was en kreeg er al snel neefjes en nichtjes bij.
Rond 1946 vertrekt ook zijn zus Aaltje uit huis. Zij woonde eerst in Haarlem, dan in 1947 weer in de Haarlemmermeer, en in 1948 in Zeist. Het lijkt erop dat zij in 1949 korte tijd weer bij haar ouders aan de Sloterweg woonde. Maar rond 1954 begint zij weer aan een reeks verhuizingen. Zij was geen constante aanwezige in het leven van haar broer Cor.
Zijn toekomstige vrouw Riet was geboren in de noodwoning op Noorderakerweg 263a waar de familie Bart woonde vanaf 1939. Zij was de oudste dochter van Dirk Bart en Sien van Duren. Dirk Bart kocht in 1946 land van Gerrit Verhoef en begon aan de bouw van hun nieuwe huis op de Noorderakerweg 255. In 1947 verhuisde Riet met haar ouders en broertjes Jan en Willem. Later werden Dirk, Ineke, Hans en Anneke daar geboren.
Het huis koste in 1946/47 ongeveer 19000 gulden, wat in die tijd heel wat geld was. Riet ging naar school op de School met de Bijbel aan de Osdorperweg, en Cor ging naar school in Badhoevedorp met Meester de Waard.
Riet vertelde dat zomers als de sla niet veel waard was en het mooi weer was, vader Dirk het veld omschoffelde, Oma van Duren ging halen, en dat de familie dan om half vier naar Bloemendaal of Zandvoort ging naar het strand. Moeder Sien had dan al eten klaar gemaakt, en kinderen mochten dan later op de dag brood kopen. Meestal bleef de familie tot een uur of 9 op het strand.
Maar er moest ook hard gewerkt worden. Riet moest er al om een uur of 5 uit, en ging dan werken voordat ze naar school ging. Ze ging tomaten plukken, lof schoon maken met haar moeder, etc.
Riet vertelde ook dat ze vroeger in Badhoevedorp boodschappen ging doen. In die tijd liepen ze naar de dijk en gingen dan met Korsman oversteken. Ze konden daar bellen en dan met een bootje het kanaal over! Later was er een kleine pond waar ongeveer 5 a 6 fietsen op konden.
Cor zijn broers, Jan en Klaas Duijster, werkte al vanaf voor de Tweede Wereld Oorlog voor Dirk Bart aan de Noorderakerweg in de Akerpolder. Cor zou later in de jaren 50, na een opleiding timmerman, bij dezelfde kweker gaan werken en daar uiteindelijk zijn vrouw Riet Bart, de dochter van de baas, leren kennen. Cor was 16 toen hij ging werken voor Dirk Bart. Hij verdiende 25 gulden in de week en mocht dat geld houden van zijn moeder.
Het bedrijf waar Cor werkte was ongeveer 2 bunder groot. Eerst stonden er bakken met glas, en later werden er rolkassen neergezet. Er werden over de jaren meerdere gewassen geteeld: groenten, tomaten, freesias, rozen, en orchideeen om wat voorbeelden te noemen.
In de jaren 70 ging het bedrijf over van vader Dirk naar broer Willem Bart. Cor en Riet bleven ook onder het nieuwe beleid op de kwekerij werken.
In die tijd was de akerpolder nog echt agrarisch. Aan de andere kant van de weg lagen twee grote boerderijen. Riet en Cor woonden naast haar vader en moeder , Dirk en Sien Bart. Riet liep dan wel naar het einde van de Noorderakerweg om bij de boer verse melk te halen. Soms mocht haar kleine zus Anneke mee om de melk te halen. Een grote tupperware bak werd dan afgeleverd bij moeder Sien en die haalde het room eraf om er boter van te maken en de rest werd in grote pannen op het gas gezet om de melk te pasteuriseren/steriliseren.